Anderen beoordelen, een taak vol instinkers

Anderen beoordelen, een taak vol instinkers

“Om zuiver te kunnen oordelen, moeten we ons in de eerste plaats bewust zijn van onze eigen opvattingen. En daar gaat het vaak al mis. We denken dat we heel objectief zijn, maar niets is minder waar: uit onderzoek blijkt dat de meeste mensen niet in staat zijn een betrouwbaar oordeel te vellen over de eigenschappen, vaardigheden en kwaliteiten van een ander”. In zijn boek Zuiver oordelen zet hoogleraar Henk-Jan Guchelaar de oorzaken van de meeste beoordelingsfouten op een rijtje.

1. Te snel en/of veralgemenend oordelen. We oordelen vaak op grond van één aanwijzing of op basis van heuse vooroordelen: ‘mensen die een slap handje geven, zijn onzeker’ of nog ‘wie mij niet in de ogen durft te kijken, heeft iets te verbergen…’
2. Geen rekening houden met de context. Dit is te voorkomen door niet jezelf en je eigen gedrag als norm voor de beoordeling te nemen.
3. Onpersoonlijk oordelen. Gedrag kan typerend zijn voor een bepaalde leeftijdsfase en niet zozeer voor de persoon van de beoordeelde. Iemand die in zijn ‘Sturm und Drang’-fase zit, hoeft niet per se een ‘streber’ te zijn.
4. Het halo- en horn-effect. Een bijzondere vorm van generaliseren: op grond van één eigenschap die sterk in het oog springt, kennen we iemand ook allerlei goede (‘halo’) of slechte (‘horn’) eigenschappen toe.
5. Projecteren. De neiging om eigenschappen, verlangens, motieven enzovoort die we zelf bezitten te gaan toekennen aan anderen. Hieronder valt ook de neiging om mensen van ‘ons eigen soort’ te overschatten, versta positief te beoordelen.
6. Verborgen eigenschappen. Veel mensen verdringen hun ‘slechte’ eigenschappen door ze te verhullen achter positieve – en vaak tegengestelde – eigenschappen. Dit geeft een vertekend beeld van hun persoonlijkheid.

Bron: Henk-Jan Guchelaar, “Zuiver oordelen – beeldvorming en beoordeling van mensen”, Uitg. Nelissen, 2005, 144 p.